Op zoek naar een geschikt

en betaalbaar notariskantoor?

De vruchtgebruikvariant

In deze variant wordt slechts de 'blote eigendom' van de woning overgedragen, terwijl de ouder(s) zich het levenslang recht van bewoning ofwel vruchtgebruik voorbehouden. Het verschil tussen het recht van bewoning en het vruchtgebruik is hierin gelegen, dat het bewoningsrecht niet kan worden vervreemd of bezwaard.
Het vruchtgebruik is een min of meer 'exploitabel' recht. De vruchtgebruiker hoeft er niet per se te wonen. Deze kan het huis ook verhuren en de huuropbrengst ontvangen. Als de vruchtgebruiker het huis verlaat en dit vervolgens wordt verkocht heeft deze het vruchtgebruik van de verkoopopbrengst.

Hoe werkt het vruchtgebruik?
De opzet van het vruchtgebruik is als volgt. De ouders verkopen (of schenken) het woonhuis aan (bij voorkeur) alle kinderen, waarbij zij zich het woonrecht voorbehouden. Zonder vergoeding blijven de ouders in het huis wonen. Meestal wordt afgesproken dat alle kosten van onderhoud, reparatie en belastingen voor rekening van de ouders blijven (hierna wordt nog teruggekomen op de belastingaspecten). De waarde van het vruchtgebruik, en daardoor ook de waarde van de ‘blote eigendom’, is afhankelijk van de leeftijd van de (vrucht)gebruiker, de ouder(s).

Blote eigendom
'Blote eigendom’ is eigendom waaraan uw kind eigenlijk niets heeft, omdat u in het huis woont op grond van het zakelijke recht van vruchtgebruik. Hoe jonger de vruchtgebruiker is, des te lager is de waarde van de blote eigendom. Het duurt immers nog lange tijd voordat het vruchtgebruik eindigt en de blote eigendom volle eigendom wordt. Successierechtelijk zit hier een addertje onder het gras.

Successierecht
Met het verstrijken van de jaren neemt niet alleen de waarde van het huis toe, maar groeit zoals gezegd de blote eigendom naar volle eigendom. De waardeaangroei zou onbelast zijn gebleven. Maar hier heeft de successiewet een stokje voor gestoken.
Als het (vrucht)gebruiksrecht van de ouders eindigt bij hun overlijden of korte tijd daarvoor (binnen 180 dagen), wordt de waarde van het huis voor de berekening van het successierecht bij de nalatenschap geteld. De waarde van de verkrijging van de woning mag echter worden verminderd met de koopsom van de blote eigendom die destijds is betaald, plus het renteverlies, te stellen op 6% per jaar.
Bovendien mag bij de bijtelling worden uitgegaan van de waarde van het huis op het moment van de overdracht en dus niet van de waarde bij overlijden van de ouder(s). De waardevermeerdering van het huis blijft zodoende onbelast.

Voorbeeld:
Mevrouw P. verkoopt de blote eigendom van haar woonhuis met een leegwaarde van € 250.000 aan haar enig kind - de heer Z. - onder voorbehoud van het levenslang recht van vruchtgebruik. Mevrouw P. is 72 jaar oud en overlijdt acht jaar later. De waarde van het huis bedraagt dan € 375.000. De heer Z. blijft aan zijn moeder de koopsom schuldig. In gelijke jaarlijkse termijnen scheldt mevrouw P. deze koopsom kwijt. Zie hieronder voor de verdere uitwerking.

Uitwerking
De koopprijs is in beginsel gelijk aan de waarde van € 250.000.
Of de koopprijs met 40% naar 60% (bewoonde-staat-waarde) mag worden verminderd, is de vraag. De meningen hierover zijn verdeeld.
Is sprake van een schenking, dan kan wel 60% van de leegwaarde worden genomen. De waarde van het vruchtgebruik bedraagt in overeenstemming met de hiervoor geldende waarderingsregels 42% van € 250.000, is gelijk aan € 105.000.

De koopprijs van de blote eigendom bedraagt dan (waarde volle eigendom minus waarde vruchtgebruik) € 145.000. Hierover is 6% overdrachtsbelasting verschuldigd, gelijk aan € 8.700. Bij het overlijden van P. zal Z. in principe successierecht verschuldigd zijn over € 35.400 (€ 250.000 minus € 145.000 minus € 69.600, de enkelvoudige rente over acht jaren, dus 8 × € 8.700). Het successierecht bedraagt € 2.195 (2004).


Als het woonhuis niet zou zijn overgedragen, dan behoort het woonhuis nog tot de nalatenschap van mevrouw P. Over dit woonhuis ter waarde van € 375.000 zou successierecht verschuldigd zijn geweest, gelijk aan € 61.012 (2004).

Het voorbeeld leert ons dat de overdracht bij leven in principe voordeliger is. Bij de berekening van het uiteindelijke voordeel moeten natuurlijk wel de getrooste opofferingen, dat wil zeggen de betaalde belastingen die bij leven zijn voldaan mee in aanmerking worden genomen.
Het netto voordeel in geval van een overdracht bij leven bedraagt € 50.117 (Successierecht € 61.012 minus de overdrachtsbelasting € 8.700, minus het successierecht € 2.195 dat verschuldigd zou zijn bij overdracht tijdens leven).